Als u onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds valt moet u verplicht meedoen met de door sociale partners vormgegeven pensioenregeling. Een meerderheid van het georganiseerde bedrijfsleven heeft voor deze verplichting gekozen. Het doel is het tegengaan van de onderlinge concurrentie op de arbeidsvoorwaarde pensioen. En het bestrijden van de zogenoemde witte en grijze pensioenvlekken. Meer over te lezen in het artikel ‘Pensioenvlekken verwijderen‘. Neem contact met mij op als u twijfelt of als het pensioenfonds u heeft aangeschreven en u het daar niet mee eens bent. Belangrijk want de financiële gevolgen zijn groot, pensioenfondsen kunnen 5 tot 20 jaar teruggaan (afhankelijk van de omstandigheden) met het vorderen van de premie respectievelijk schade. In dit artikel zijn veel voorbeelden opgenomen van bedrijven die onder een pensioenfonds vallen.
"*" geeft vereiste velden aan
De volgende onderwerpen worden behandeld:
In Nederland zijn er ongeveer 40 bedrijfstakpensioenfondsen die een door sociale partners vormgegeven pensioenregeling uitvoeren. Soms is het duidelijk dat een werkgever onder een verplichtstelling valt. Het komt ook voor dat een dienst en/of product niet in een hokje is te plaatsen. Eerlijk gezegd zie ik als onafhankelijk pensioenadviseur niet anders, juist de ondernemers met complexe pensioenvraagstukken komen bij mij.
Een werkgever krijgt meer zekerheid na een werkingssfeeronderzoek, ook wel een bedrijfstakpensioenfonds-controle genoemd of afgekort een BPF-check.
Onderzoek is belangrijk want als een werkgever terugwerkend onder een verplichtstelling valt, verhaalt het pensioenfonds de premie over al deze jaren terugwerkend.
Bij een werkingssfeeronderzoek (BPF-check) wordt er onderzocht of de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever van toepassing is. Zoals eerder in het artikel SBI-code en pensioen geschreven zijn de SBI-code en de code waarin de belastingdienst de werkgever heeft ondergebracht van minder doorslaggevend belang dan de feitelijke werkzaamheden. De feitelijke werkzaamheden moeten gedetailleerd worden getoetst aan de tekst opgenomen in het verplichtstellingsbesluit. Daarbij wordt de cao-norm gevolgd.
Hoe moeten de bewoordingen uit een verplichtstellingsbesluit worden uitgelegd? Er zijn twee uitlegmethoden:
Als een deelnemers zelf betrokken is geweest bij de totstandkoming van een overeenkomst geldt de Haviltex-norm. Zij weten wat ze hebben bedoeld met de in de overeenkomst vastgelegde bepalingen. De uitleg van de bepalingen van de overeenkomst komt volgens de Hoge Raad aan ‘op de zin die partijen in gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’. De Haviltex-norm is bijvoorbeeld van toepassing bij de totstandkoming van een pensioenovereenkomst.
Als de betrokkenen niet zelf aanwezig waren bij het overleg en de bedoeling van de betrokken partijen (sociale partners) niet kenbaar is, geldt de cao-methode. Ook wel objectieve methode genoemd. Bij de objectieve methode zijn de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst, van doorslaggevende betekenis. Het komt niet aan op de bedoelingen van de partijen die de verplichtstellingsbesluiten of cao’s tot stand hebben gebracht, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de overeenkomsten zijn opgesteld. Bijvoorbeeld bij een pensioenreglement en/of verplichtstellingsbesluit.
De Hoge Raad heeft in 2004 de verschillen tussen de uitlegmethoden genuanceerd. Bedenk dat bij ieder geschil de toegepaste methode afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval.
Omdat verplichtstellingsbesluiten vaak niet duidelijk zijn (soms zelfs cryptisch) en de feitelijke werkzaamheden vaak niet één op één aansluiten met de omschrijving opgenomen in het verplichtstellingsbesluit kan er onduidelijkheid over wel of geen verplichte aansluiting blijven bestaan.
Komt er een discussie (of is deze er al) tussen het pensioenfonds en de werkgever dan beslist uiteindelijk de rechter. Het belang is dan ook groot voor beide partijen. De werkgever zit niet te wachten op een vaak hoge en eventueel tot tientallen jaren terugwerkende premieclaim. Het pensioenfonds wil niet opdraaien voor de pensioenen van vele werknemers waarvoor nooit een premie is betaald. Meer over te lezen in het artikel ‘Geen dienstverband, geen pensioen‘.
1. Valt een vleesloos bedrijf dat vegetarische burgers maakt onder het Pensioenfonds Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimveevlees? Lees het artikel Flexitarisch pensioen.
2. De ontwikkelaar van een shoarmarobot viel al tijdens het ontwikkelings-/ ontwerpproces van de robot onder het Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT). Dat het prototype toen niet goed werkte en voor de ondernemer geen omzet opleverde doet niet ter zake (ECLI:NL:RBROT:2022:4139).
3. De bedrijfsactiviteiten van de franchisenemers van pizzaketen Domino’s worden meestal gezien als een horeca-activiteit. Bij de belastingdienst zijn de franchisenemers ingedeeld in de sector Horeca en bij de Kamer van Koophandel meestal in categorie 56 (eet- en drinkgelegenheden). Volgens het hof houden de franchisenemers zich bezig met het kopen en aan particulieren verkopen van waren zoals omschreven in het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Detailhandel. ‘Etenswaren’ zijn namelijk ook ‘waren’ aldus het hof. De Hoge Raad laat de uitspraak van het hof in stand (ECLI:NL:HR:2022:1732).
4. Een groothandel in bedrijfskleding biedt klanten de optie de kleding te laten bedrukken met de bedrijfsnaam of het logo van de klant erop. Het Pensioenfonds MITT (Mode, interieur, tapijt en textiel) kent geen hoofdzaak-criterium. Daardoor valt een werkgever eerder onder de werkingssfeer van dit pensioenfonds. Even een zijstapje: ‘Wat is een hoofdzaak-criterium?’
Het criterium waarvan de hoofdzaak bepaald moet worden, kan verschillend zijn ingevuld. Veelvoorkomend is de eis dat in hoofdzaak of voor ten minste 50% de bedrijfsactiviteiten bestaan uit activiteiten die onder het verplichtstellingsbesluit vallen. De maatstaven kunnen de omzet, loonsom of uren van de werknemers zijn. Pas op: het kan zijn dat de werkuren van de werknemers die de in het verplichtstellingsbesluit opgenomen werkzaamheden uitvoeren minder dan 50% van alle werkuren vertegenwoordigen echter dat hun ondersteunende (administratieve) collega’s er toch voor zorgen dat de werkgever aan het hoofdzaak-criterium voldoet. Dat speelde bijvoorbeeld bij het Vector-arrest (ECLI:NL:HR:2012:BU9889). Het vaststellen van het hoofdzakelijkheidscriterium is daardoor vaak niet eenvoudig.
Als er geen hoofdzaak-criterium is opgenomen in het verplichtstellingsbesluit kan een activiteit die slechts door één werknemer wordt uitgevoerd (van bijvoorbeeld in totaal 20 werknemers) ervoor zorgen dat het bedrijf onder het pensioenfonds valt. De groothandel in bedrijfskleding houdt zich volgens de werkgever alleen bezig met het bedrukken van bedrijfskleding. Het eventueel borduren van kleding wordt uitbesteed. De rechter stelt dat 60% van de bedrijfskleding wordt bedrukt door de werkgever en dat vertegenwoordigt een totale omzet (volgens de rechter) van 24%. Daarnaast ziet de rechter dat het bedrukken of borduren nadrukkelijk op de website aandacht krijgt. Volgens de rechter geen verwaarloosbare activiteit (ECLI:NL:RBNHO:2021:11361). In 2023 sprak een andere kantonrechter zich uit over een andere MITT-zaak. De uitkomst en de onderbouwing zijn beschreven in het artikel ‘Waar ligt ondergrens voor verplichte deelname Pensioenfonds MITT?’
5. Greenpeace valt onder het Bedrijfspensioenfonds Koopvaardij.

6. Een groothandel in binnenzonweringen valt onder het Pensioenfonds Metaal en Techniek.
7. Deliveroo valt volgens het Pensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg onder het verplichtstellingsbesluit. Deliveroo verweert zich door te stellen dat zij een technologiebedrijf is. De vervoerders waren verbonden aan Deliveroo en daarmee werd de vervoersactiviteit niet van ondergeschikt belang geacht. Deliveroo moest zich terugwerkend aansluiten bij het bedrijfstakpensioenfonds. Deliveroo is inmiddels uit Nederland vertrokken (ECLI:NL:GHAMS:2021:3979).
8. Booking.com is volgens eigen zeggen een zogenoemde prikbord- of platformonderneming. De vraag is of Booking.com daadwerkelijk alleen maar een prikbord faciliteert of een reisaanbieder is. Er wordt geprocedeerd tot aan de Hoge Raad die Booking.com definitief onder het Pensioenfonds voor de Reisbranche plaatst (ECLI:NL:HR:2021:527).
Een verplicht pensioen kan ook volgen uit een cao. Dan spreekt men over een kleine verplichtstelling. Als de verplichte deelname volgt uit de Wet Bedrijfstakpensioenfonds 2000 is er sprake van een grote verplichtstelling. Voor de gevolgen maakt het niet uit, de werkgever moet zich verplicht aansluiten tenzij hij voor een vrijstelling (dispensatie) in aanmerking komt. Zie de eerste link in de volgende paragraaf.
Voor vragen, pensioenadvies of een werkingssfeeronderzoek (BPF-check) kunt u contact met mij (Dirk-Jan Plate) opnemen.
Bijgewerkt op 26 juli 2025.