Menu

Pensioencheck

Klopt uw pensioenopgave vóór en na een eventuele pensioenwijziging wel? Het antwoord op deze vraag leidt regelmatig tot verrassende inzichten. Het klopt of het klopt niet omdat:

  • de pensioenovereenkomst niet aansluit op de daadwerkelijke pensioenregeling ondergebracht bij een pensioenuitvoerder. Er is bijvoorbeeld meer beloofd dan dat er daadwerkelijk is verzekerd bij een verzekeraar. De gevolgen pas ontdekken op pensioendatum is niet verstandig;
  • werkgever en werknemers al eerder onder een verplicht gesteld pensioenfonds vielen dat een ruimere pensioenregeling uitvoert; of
  • de pensioenuitvoerder de administratie niet op orde heeft.

Een pensioencheck in een zo vroeg mogelijk stadium is geen overbodige luxe en is de manier om pensioenverschillen te ontdekken en eventueel tijdig te herstellen.

Wanneer het verstandig is een pensioencheck uit te voeren

Pensioenvergelijkingen en een controle zijn verstandig:

  1. op het moment dat de pensioenregeling wordt gewijzigd (zo ook in de nabije toekomst bij de vernieuwing van het pensioenstelsel);  
  2. bij een baanwissel;
  3. als de huidige pensioenregeling ondergebracht bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling stopt en het pensioen bij een verplicht gesteld pensioenfonds wordt ondergebracht; of
  4. als er in het verleden een pensioenregeling is afgesloten (zoals bijvoorbeeld een streefregeling) waarbij de pensioenregeling niet aansluit op de eerdere pensioentoezegging (pensioenovereenkomst). Hierdoor is het pensioen lager dan beoogd. Ter voorkoming dat de gegevens niet meer te achterhalen zijn is het uitstellen van een pensioencheck onverstandig.

“Een QuickScan is vaak al voldoende om eventuele verschillen te signaleren”

1. Pensioencontrole bij vernieuwing pensioenstelsel

In de nabije toekomst zal bijna iedere werknemer met een ingrijpende pensioenwijziging te maken krijgen naar aanleiding van de vernieuwing van het pensioenstelsel. Op basis van de Wet toekomst pensioenen. Kloppen de voorgeschoten gevolgen wel, is de juiste data vergeleken? Verstandig om dit te controleren. Op korte termijn want anders zijn de gegevens en uitgangspunten steeds moeilijker te achterhalen en de verantwoordelijken moeilijker aanspreekbaar.

In de Nota naar aanleiding van nader verslag Wetsvoorstel toekomst pensioenen vraagt de heer Omtzigt zich dan ook af hoe de deelnemer transparant kan nagaan of de berekeningen kloppen. Doelend op de vernieuwing van het pensioenstelsel. De minister geeft aan dat de deelnemer zijn laatste jaarlijkse pensioenoverzicht (UPO) als referentie erbij kan pakken ‘en bezien of de stand op het transitie-overzicht van de mee te nemen aanspraken plausibel is in verhouding tot de stand op het laatste reguliere pensioenoverzicht’. Bij twijfel of vragen kan de deelnemer om een specificatie of herberekening vragen. De  pensioenuitvoerder is verplicht deze informatie op verzoek en kosteloos te verstrekken. Daarnaast zal de pensioenuitvoerder ook een berekening (op verzoek) van de transitie-effecten per leeftijdscohort beschikbaar stellen. Complexe materie waarbij de werkgever, werknemer en ondernemingsraad zich kunnen laten bijstaan door een onafhankelijk pensioenadviseur. Echter voordat zij dat doen is het verstandig eerst een stap terug te doen.

Alles op zijn tijd, een stapsgewijze controle

Kloppen de uitgangspunten?

Vóór bestudering van de effecten van de pensioentransitie moet er eerst worden nagegaan of de administratie van de pensioenuitvoerder wel klopt.

De pensioentransitie is enkel te controleren als er vanuit wordt gegaan dat het jaarlijkse overzicht (en de administratie van de pensioenuitvoerder) vóórafgaand aan de transitie klopt. Het is onverstandig daar zomaar vanuit te gaan. Er zijn inmiddels meerdere artikelen verschenen in bijvoorbeeld De Groene Amsterdammer en de Geldgids november 2019: ‘Vergeten pensioenen’ waarin de auteurs hun zorgen onderbouwen over de kwaliteit van de data van verschillende pensioenuitvoerders of dat bepaalde uitkeringen onterecht niet zijn gedaan. Overigens hoeft de schuld niet bij een pensioenuitvoerder (verzekeraar, pensioenfonds, premiepensioeninstellingen) te liggen. Soms zijn bepaalde wijzigingen gewoon niet (tijdig) doorgegeven. Dit artikel is er niet op uit een schuldige aan te wijzen maar om de pensioenen en de afspraken daarover te controleren.

2. Baanwissel

Bij het aanvaarden van een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt er vaak een pensioen aangeboden. Op basis van een verplichtstelling, collectieve arbeidsovereenkomst (cao) of omdat de werkgever dat aan alle werknemers aanbiedt. In de praktijk vergelijkt de werknemer de nieuwe functie bij zijn nieuwe werkgever onder andere op salaris (tegenwoordige beloning) maar vaak niet op pensioen (toekomstig beloningscomponent). Dat is niet verstandig want als de aangeboden pensioenregeling in kwaliteit onderdoet aan de huidige pensioenregeling kan dat de aangeboden salarisverbetering volledig teniet doen.

Voorbeeld:

Stel, de oude en nieuwe pensioenregeling zijn beide premieovereenkomsten. Dat betekent dat de pensioenovereenkomst een minimale premie-inleg belooft. Met de premie en beleggingsrendementen bouwt de deelnemer een pensioenkapitaal op waarmee op pensioendatum een pensioen wordt gekocht. De pensioenhoogte is afhankelijk van de rentestand, overlevingskansen en meerdere variabelen. De premie-inleg is een zeer bepalende factor voor de kwaliteit van de pensioenregeling. Bij de oude regeling was er sprake van een premiestaffel die uitging van een lage marktrente van 1,5% (blauwe lijn). De nieuwe premieovereenkomst gaat uit van een hogere rente van 4% (oranje lijn) waardoor de premie-inleg veel lager is. In schema:

Verschillen 4% en 1,5% staffels
Verschillen 4% en 1,5% staffels

Als het ware neemt de ‘4%-regeling’ (oranje lijn) een voorschot op betere rentetijden terwijl de oude ‘1,5%-regeling’ (blauwe lijn) dat niet doet.

Als het dan toch meezit voldoet de nieuwe regeling aan haar verwachtingen en overtreft de oude regeling alle eerdere verwachtingen. Puur omdat de inleg hoger is zal het pensioen dat uitgaat van een 1,5% staffel altijd hoger uitvallen dan de pensioenregeling met de lagere premie.

Cijfermatig zijn de verschillen als volgt. De werknemer in het voorbeeld is 45 jaar oud en verdient € 50.000. Over de pensioengrondslag wordt de premie berekend. De pensioengrondslag is het verschil tussen het salaris en de AOW-franchise. In dit voorbeeld € 35.000 (€ 50.000 – € 15.000). Bij de 1,5% staffel is de premie voor een 45-jarige: 35,8% x € 35.000 = € 12.530. Bruto op jaarbasis. Bij de 4% staffel is de premie voor een 45-jarige: 12% x € 35.000 = € 4.200. Een aanzienlijk verschil van € 8.330 dat jaarlijks toeneemt omdat er sprake is van een leeftijdsafhankelijke staffel. Het zal geen verrassing zijn dat het pensioen in de oude regeling veel hoger zal zijn. Goed om mee te nemen bij de onderhandelingen.

Meer over de verschillen tussen premieovereenkomsten is te lezen in het artikel ‘Premieovereenkomst wat is dat?’.

3. Verplichte aansluiting pensioenfonds

Als de huidige pensioenregeling ondergebracht bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling stopt en het pensioen bij een verplicht gesteld pensioenfonds moet worden ondergebracht verschillen het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen meestal. De oude pensioenregeling kan uitgebreider of beperkter zijn. Het is belangrijk om de verschillen in een zo vroeg mogelijk stadium in kaart te brengen. Dat voorkomt teleurstellingen achteraf. Een verschil kan al snel oplopen, pensioen betreft immers een levenslange uitkering.

Stel, de oude regeling ondergebracht bij een verzekeraar is op basis van de in het eerdere voorbeeld gebruikte 4% staffel. Het verplicht gestelde pensioenfonds biedt een regeling enigszins vergelijkbaar met de 1,5% staffel aan. Dan gaat de werknemer er aanzienlijk op vooruit. Met betrekking tot de toekomstige opbouw. Het kan zijn dat het bedrijf al veel eerder onder het verplicht gestelde pensioenfonds viel. Dan is er ook een verschil over de inmiddels verstreken dienstjaren.

Meer over wel of geen verplichte aansluiting is te lezen in het artikel ‘Totstandkoming pensioenregeling’.

4. Streefregeling

Er zijn in het verleden veel pensioenregelingen bij verzekeraars ondergebracht waarbij de pensioenuitkering vooraf niet vaststond. Het pensioenkapitaal om de pensioenuitkering later mee aan te kopen stond wel vast. Eerder, ten tijde van de pensioentoezegging, is er aan de werknemers een beoogde pensioenhoogte medegedeeld. De werknemers zien de toezegging over de hoogte van het pensioen als vaststaand feit en komen er regelmatig (te) laat achter dat er geen sprake is van een garantie maar van het ‘streven naar’ een bepaalde pensioenhoogte. Er is geen gegarandeerde uitkering toegezegd, de zogenoemde streefregeling beoogt slechts.

Het beoogde pensioen kan enkel worden bereikt als het pensioenkapitaal voldoende is.

In de jaren dat deze pensioentoezeggingen plaatsvonden was de rekenrente meestal hoger dan 5%. Naarmate de rente daalde moest de premie-inleg stijgen om werknemers een realistische kans te bieden het beoogde pensioen te behalen. Het aanpassen van de premie gebeurde tot een minimale rente van 4%. Als de rente in werkelijkheid lager was, werd de premie-inleg niet aangepast. Het argument hiervoor is dat op basis van fiscale wetgeving de minimale rekenrente 4% is. Als op pensioendatum de rente ook daadwerkelijk 4% bedraagt, is er geen probleem. Echter als de rente (zoals sinds 2008 het geval is) lager ligt dan 4% is het pensioenkapitaal te laag om daarmee het beoogde pensioen te kunnen kopen.

Welke afspraken zijn er vooraf tussen werkgever en werknemer hierover gemaakt? In de praktijk is er vooral rond pensioendatum veel discussie over. Beter is het om ruim vóór pensioendatum er samen uit te komen. Dat kan als er een pensioencheck plaatsvindt.

Praktijkvoorbeelden streefregeling:

Bij aanvang pensioenregeling is de afspraak jaarlijks de premie aan te passen aan veranderende marktomstandigheden (zoals de rekenrente). Vastgelegd in een pensioenovereenkomst. Op deze manier blijft het benodigde pensioenkapitaal in het vizier, voldoende om op pensioendatum het beoogde pensioen mee te kunnen kopen. De rente was oorspronkelijk hoger dan 4%. Op pensioendatum blijkt de rente ongeveer 3% lager te liggen, namelijk 1%. Deze trend van een lage rente is al meer dan 10 jaar gaande. Toch is er gedurende alle opbouwjaren geen rekening mee gehouden. Het pensioenkapitaal is dan ook veel te laag om het beoogde pensioen te kunnen kopen. Hof Arnhem-Leeuwarden: ‘de vordering van de werknemer tot nakoming van de pensioenovereenkomst is in beginsel toewijsbaar‘.

Een half jaar later acht het Hof Den Haag het in hoge mate aannemelijk dat partijen (werkgever en werknemer) – in de hypothetische situatie – in 2004 akkoord zouden zijn gegaan met de door de verzekeraar toegepaste minimum rekenrente van 4,4%. Dat was toen een redelijke rente en als partijen er niet mee akkoord zouden gaan zou de gunstige fiscale omkeerregeling vervallen. Het hof gaat er daarom vanuit dat op basis van deze argumenten de werknemer er in 2004 mee akkoord zou zijn gegaan. De premie hoefde daarom in de tussentijd niet te worden aangepast aan de steeds lager wordende rente.

Iedere uitspraak van een (hogere) rechter is altijd afhankelijk van alle omstandigheden van het geval!

Conclusie

Een pensioencheck is onafhankelijk van het moment geen overbodige luxe. Hoe eerder, hoe beter want het vergroot de kans eventuele fouten te achterhalen en waar mogelijk te herstellen of te compenseren.

Bijgewerkt op 11 juli 2022.