Menu

Vooraf pensioengevolgen bestuderen

Op 18 december 2019 deed de kantonrechter een logische uitspraak (ECLI:NL:RBMNE:2019:6107) over een onderwerp waar al vaker over is geschreven: het voorwaardelijk pensioen. Ook wel VPL-aanspraken genoemd. Zie bijvoorbeeld de publicatie over hoe de VPL-aanspraken bij ontslag te beschermen: ‘Doe er een schepje pensioen bovenop’. Het is een extra pensioen die, zodra gefinancierd, bovenop het reguliere (basis) pensioen komt. Zolang het extra pensioen niet is gefinancierd blijft het voorwaardelijk en komt zij bij ontslag te vervallen. Helaas niet alleen bij ontslag. Het voorwaardelijk pensioen kan ook komen te vervallen als de werknemers niet meer werkzaam zijn in dezelfde branche. De voorwaarden die het verval kunnen voorkomen zijn sectorafhankelijk. Het is daarom dan ook altijd verstandig om vooraf de pensioengevolgen van een nog door de werkgever (of werknemer) uit te voeren handeling te bestuderen; een reorganisatie, een individueel ontslag, een overname, de verkoop van een gedeelte van de bedrijfsactiviteiten enz.

De werkgever handelt

De werkgever verkoopt de fabriek en stoot daarmee de productieactiviteiten af. Voortaan houdt de onderneming zich alleen nog bezig met verkoop- en marketingactiviteiten. Door de verkoop van de fabriek zijn de werknemers niet meer werkzaam in de groenten- en fruitverwerkingsindustrie en vallen zij daardoor niet meer onder de verplichtstelling. Met andere woorden; ze zijn niet meer verplicht aangesloten bij het betreffende bedrijfstakpensioenfonds. Vervolgens komen de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds een vrijwillige voortzetting van de aansluiting overeen. Een vrijwillige voortzetting biedt voor de reguliere (basis) pensioenregeling uitkomst, maar is dat ook het geval voor de VPL-aanspraken?

Het pensioenreglement is duidelijk

Volgens het pensioenreglement moet de (eventueel vrijwillige) deelnemer:

  1. ‘op 1 januari 2016 tot de pensioeningangsdatum (of uiterlijk tot en met 31 december 2020) deelnemer zijn in het fonds; en
  2. als werknemer op 1 januari 2016 tot de pensioeningangsdatum (of uiterlijk tot en met 31 december 2020) onafgebroken werkzaam zijn in de groenten- en fruitverwerkingsindustrie’.

Foutieve informatie aan de deelnemers zonder gevolgen

In de jaarlijkse pensioenoverzichten van de pensioenuitvoerder waren de VPL-aanspraken nog geruime tijd terug te vinden. Toch kan dit volgens de kantonrechter niet als een rechtshandeling worden gezien. Het betrof een administratieve fout waardoor de werkgever nog steeds werd gezien als een werkgever in de bedrijfstak groenten- en fruitverwerkingsindustrie. De fout is hersteld en de pensioenuitvoerder is niet automatisch aansprakelijk voor de gevolgen van onjuiste pensioeninformatie. Zie ook het eerdere nieuwsbericht ‘Onjuiste pensioeninformatie’. 

Oplossing

Er bestaan sectoren waar enkel en alleen een deelnemerschap ervoor zorgt dat het voorwaardelijk pensioen behouden blijft, ondanks het feit dat de werkzaamheden niet (meer) binnen de branche plaatsvinden. Dat was in de besproken zaak niet het geval. Het werkzaam blijven binnen de groenten- en fruitverwerkingsindustrie was de voorwaarde. Als (sommige) werknemers niet eerder met pensioen kunnen (omdat de minimale pensioenleeftijd nog niet is bereikt) en de uiterlijke financieringsdatum niet binnen bereik ligt (voor de meeste fondsen geldt 31 december 2020) zit er niets anders op de pensioenschade vóóraf in kaart te (laten) brengen. Het afstand doen van de productiewerkzaamheden kan opwegen tegen het verloren gaan van de VPL-aanspraken van meerdere werknemers. Van belang is dat er in het begin aan wordt gedacht. Dit soort zaken worden makkelijk over het hoofd gezien. Overleg vooraf kan problemen voorkomen en ervoor zorgen dat beide partijen water bij de wijn doen.

Zie ook van dezelfde rechtbank de uitspraak over eenzelfde regeling op 3 juli 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3078). De werknemer (in plaats van de werkgever) sprak het pensioenfonds tevergeefs aan. De kantonrechter: ‘Het zijn de partijen bij de cao voor de bedrijfstak (de sociale partners, dat wil zeggen de verenigingen van werkgevers en werknemers) die de inhoud van de VPL-regeling hebben bepaald. [eiser] kan niet aan degene die de regeling vervolgens moet uitvoeren verwijten dat de regeling niet anders is ingestoken en dat de mogelijkheid om extra pensioen te verwerven is gekoppeld aan het werkzaam blijven in de bedrijfstak van de GFI’. Het pensioenfonds verweerde zich onder andere door te stellen dat de werknemer beter zijn werkgever kon aanspreken op het gemis aan VPL-aanspraken. Dat gemis was volgens het pensioenfonds namelijk het rechtstreekse gevolg van het handelen van de werkgever.

Vooraf

Achteraf blijft makkelijk praten. Echter deze materie, met betrekking tot de VPL-aanspraken voor werknemers, speelt nu ook nog steeds bij andere werkgevers. Als de voorwaardelijke aanspraken door het doen en laten van de werkgever komen te vervallen is het vooraf bestuderen van de mogelijkheden om het verval (gedeeltelijk) te voorkomen of de gevolgen te beperken aan te raden. Dat scheelt later veel tijd en geld en komt de verhouding tussen de werkgever en werknemers ten goede.