Menu

Pensioenverschillen rechtvaardigen leeftijdsonderscheid sociaal plan?

Door Dirk-Jan Plate

Werkgever maakt in een sociaal plan onderscheid op grond van leeftijd. De werkgever past een maximeringsregeling toe, die leeftijdsafhankelijk is. Geboren in 1950-1952 wordt de ontslagvergoeding op 62 jaar afgetopt, geboren in 1953-1972 op 65 jaar. De oudste werknemers ontvangen door deze regeling geen of lage ontslagvergoeding. Daar staat tegenover dat zij wel een onvoorwaardelijke aanspraak hebben op een extra pensioen ter compensatie van de afschaffing van de VUT. De ná 1952 geboren werknemers hebben slechts een voorwaardelijke aanspraak op dit extra pensioen. Tevens is het bedrag lager.

De kantonrechter oordeelt dat op basis van de pensioenverschillen er geen sprake is van gelijke gevallen en verboden leeftijdsonderscheid. In hoger beroep oordeelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:9571) ‘dat voor het maken van onderscheid naar leeftijd in het sociaal plan een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat’.

De advocaat-generaal geeft vervolgens college (ECLI:NL:PHR:2019:140). Een aantal zaken heb ik opgenomen. De onderstrepingen zijn van mijn hand.

‘In art. 7 lid 1, aanhef en onder c, WGBLA is bepaald dat onderscheid op grond van leeftijd objectief gerechtvaardigd is indien

(i) het doel van het onderscheid legitiem is;

(ii) het middel passend is om het legitieme doel te bereiken; en

(iii) het middel noodzakelijk is om het legitieme doel te bereiken.

Deze drie criteria zijn cumulatief’.

Is er sprake van een legitiem doel? Daar zegt de advocaat-generaal het volgende over:

‘M.i. had het hof – met inachtneming van de ruime beoordelingsvrijheid van sociale partners – op basis van voornoemde stellingen van NXP en [eisers] moeten beoordelen of aan het in de maximeringsregeling gemaakte onderscheid (tussen werknemers geboren in de jaren 1950-1952 en werknemers geboren vanaf 1953) een legitiem doel van sociaal beleid in de zin van art. 7 lid 1, aanhef en onder c, WGBLA ten grondslag ligt. Dit heeft het hof nagelaten. Het feit dat de gewraakte regeling als geheel invulling geeft aan Aanbeveling 3.5 van de Kantonrechtersformule, zoals destijds geldend, en onderdeel uitmaakt van een sociaal plan dat door de vakbonden is goedgekeurd betekent op zichzelf, anders dan het hof in rov. 5.7 oordeelt, niet dat het legitieme doel daarmee is gegeven (zie ook hiervoor, 3.32-3.34). Dat zegt immers niets over de vraag of het een legitiem doel dient dat in de maximeringsregeling onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers die zijn geboren in de jaren 1950-1952 en werknemers die daarna zijn geboren. Het oordeel dat de maximeringsregeling een legitiem doel nastreeft, is om die reden ontoereikend gemotiveerd’.

Heiligt het doel de middelen? Met andere woorden: is het middel, het ongelijk behandelen, passend en noodzakelijk? Misschien is er wel een beter alternatief voorhanden.

De advocaat-generaal:

‘Zoals uiteengezet (zie hiervoor, 3.30), heeft het Hof van Justitie in het arrest Rosenbladt nader ingekleurd wanneer een middel als noodzakelijk kan worden aangemerkt. Het heeft bepaald dat de nationale rechter moet onderzoeken of de maatregel (i) verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen én (ii) niet op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de werknemers waar de maatregel op ziet. Daarbij moet rekening worden gehouden met (a) het nadeel dat aan de maatregel kleeft voor de betrokken personen en (b) het voordeel van de maatregel voor de samenleving in het algemeen en de individuen waaruit zij bestaat. Een en ander impliceert klaarblijkelijk een belangenafweging. Het hof heeft in het kader van de noodzakelijkheidstoets in rov. 5.11 slechts overwogen dat de maximeringsregeling tot doel had om collectief invulling te geven aan het begrip “redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum” uit Aanbeveling 3.5 en dat [eisers] zich – gelet op die collectiviteit – niet op een (individuele) latere pensioneringsdatum kunnen beroepen. Hier wreekt zich dat het hof het legitieme doel van het als gevolg van de maximeringsregeling aangebrachte onderscheidt heeft aangeduid in termen van, kort gezegd, collectiviteit en niet een achterliggend doel van sociaal beleid heeft benoemd. Daardoor lijkt het gekozen middel – het met de maximeringsregeling gemaakte onderscheid naar leeftijd door twee verschillende uittredingsrichtdata te hanteren – samen te vallen met het doel. Daardoor kan niet naar behoren een doel-middel-toets worden uitgevoerd, zodat ook niet kan worden vastgesteld of voldaan is aan het noodzakelijkheidscriterium. Zo bezien is sprake van een “té terughoudende” toetsing, zoals het onderdeel niet ten onrechte stelt’.

(…)

‘Ik meen dat het principaal beroep moet slagen. Het hof heeft nagelaten te toetsen welk legitiem doel het dient dat het Sociaal Plan met betrekking tot de ontslagvergoeding onderscheid maakt tussen werknemers uit 1950-1952 (hogere en zekere VEP, lagere of geen ontslagvergoeding) en werknemers uit 1953-1972 (lagere en onzekere VEP, hogere ontslagvergoeding). Omdat het hof dát heeft nagelaten, heeft het niet goed kunnen toetsen of genoemd onderscheid noodzakelijk is. Ik denk daarom dat het eindoordeel over moet en dat de zaak moet worden verwezen’.

Wordt vervolgd.