Menu

UWV hoefde niet te anticiperen op een ruimer (toekomstig) uitzonderingsbeleid, WW-korting blijft in stand

Door Dirk-Jan Plate

Een werknemer wordt ontslagen en laat zijn prepensioen ingaan. Hij wil zich niet volledig uit het arbeidsproces terugtrekken en gaat weer een arbeidsovereenkomst aan. Als ook deze arbeidsovereenkomst eindigt, wordt de uit dit laatste dienstverband voortvloeiende WW-uitkering niet gekort met de reeds ingegane (pre)pensioenuitkering. Althans, dit zijn de spelregels vanaf 1 mei 2018. Voor deze datum werd de WW-uitkering nog wel gekort als de verschillende dienstbetrekkingen elkaar in tijd opvolgden.

De bovenstaande situatie overkwam een werknemer. Hij was vanaf 1 januari 2011 tot 28 februari 2013 werkzaam bij bedrijf X, vanaf maart 2013 ontving hij een prepensioen om vervolgens vanaf juni 2013 in dienst te treden bij Y. Het dienstverband met Y eindigde drie jaar later waarna de inmiddels gewezen werknemer een WW-uitkering aanvroeg. Deze werd afgewezen.

Moest het UWV anticiperen op de aanstaande wijziging?

  • De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) schreef op 24 mei: ‘Deze gewijzigde – voor de uitkeringsgerechtigde gunstiger – bepalingen gelden niet alleen voor werknemers met een WW uitkering met een eerste WW-dag op of na 1 mei 2018. Ook de reeds lopende WW-uitkeringen zullen, indien deze nieuwe regelgeving van toepassing is, met ingang van 1 mei 2018 hierop worden aangepast’. Zie ook mijn eerdere nieuwsbericht van juni 2018 toen deze wetswijziging net in werking was getreden.
  • ‘De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat de huidige formulering voor appellant zeer ongunstig uitpakt en de omstandigheid dat duidelijk is dat de materiële wetgever voornemens is de regelgeving op een later moment aan te passen, niet maakt dat de rechtbank ruimte toekomt om op de aanstaande wijziging te anticiperen. Het argument dat appellant er, gezien de aangekondigde wijziging in het AIB van 28 januari 2015 en de inwerkingtreding daarvan op 1 juli 2015, op mocht vertrouwen dat het AIB zou worden gewijzigd zoals was aangekondigd, heeft de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat met de latere wijziging in het AIB van 9 oktober 2015 kenbaar is gemaakt dat de eerder aangekondigde wijziging met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt, zodat ten tijde van het werkloos worden van appellant op 16 juni 2016 duidelijk was hoe de wettelijke bepalingen op dat moment luidden’.
  • De Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2019:628) in hoger beroep: ‘De bedoelde wijziging van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB en de toevoeging van het achtste lid zijn per 1 mei 2018 in werking getreden (Stb. 2018, 121). Aan deze regeling is geen terugwerkende kracht toegekend’. Er heeft een belangenafweging plaatsgevonden en de materiële wetgever heeft de datum van inwerkingtreding uitdrukkelijk onder ogen gezien. ‘Daarbij is inwerkingtreding op een korte termijn overwogen, maar de niet-uitvoerbaarheid van een eerdere invoering in verband met de bij het Uwv beschikbare capaciteit heeft ertoe geleid dat welbewust is gekozen voor een inwerkingtreding in de toekomst. De regering is op dat punt door het parlement niet gecorrigeerd of opgeroepen tot een andere benadering. Er is geen grond om te oordelen dat de materiële wetgever niet in redelijkheid tot het besluit tot latere inwerkingtreding heeft kunnen besluiten’.

Achteraf is makkelijk praten en soms ook vooraf.