Menu

Pensioenvoorziening gelijkwaardig (Hoge Raad)?

Kan een pensioenvoorziening gelijkwaardig zijn aan een transitievergoeding waardoor de werkgever geen transitievergoeding hoeft te betalen? De cao-partijen hebben de pensioenvoorziening als gelijkwaardig aangemerkt maar of dat voldoende is? In een eerder nieuwsbericht eindigde ik met ‘wordt vervolgd’. De ‘vervolging’ heeft inmiddels plaatsgevonden. Na de kantonrechter, het hof en de advocaat – generaal was de Hoge Raad op 29 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:449) aan de beurt. De onderstrepingen zijn van mijn hand.

De kantonrechter en het hof

De kantonrechter heeft het verzoek van de werkneemster afgewezen omdat de CAO-voorziening op collectief niveau gelijkwaardig is. Dat is volgens de kantonrechter voldoende. Hoe de voorziening op individueel niveau uitwerkt doet er niet toe.

Het hof vernietigde de beschikking van de kantonrechter omdat met een in de cao opgenomen voorziening vóór 1 juli 2015 niet kan zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen. De transitievergoeding bestond immers nog niet. ‘Daarmee kan de voorziening na 1 juli 2015 niet als gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding worden aangemerkt’.

De Hoge Raad

Pensioenvoorziening opgenomen voor inwerkingtreding WWZ

‘Anders dan het hof heeft geoordeeld, sluit de omstandigheid dat een voorziening al voor 1 juli 2015 in een op dat moment tussen partijen geldende cao was opgenomen en na 1 juli 2015 (in een nieuwe cao) is gehandhaafd, niet zonder meer uit dat die voorziening na 1 juli 2015 wordt aangemerkt als een aan de wettelijke transitievergoeding gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b BW. Of de desbetreffende voorziening kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening in voornoemde zin, hangt af van de omstandigheden van het geval. De klacht slaagt’.

De rechter bepaalt de gelijkwaardigheid

Het is aan de rechter of een in een cao opgenomen voorziening gelijkwaardig is. Dat cao-partijen de voorziening als gelijkwaardig hebben aangemerkt is een aanwijzing, net zoals alle omstandigheden van het geval én de vergelijking ‘tussen de op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening waarop de desbetreffende werknemer volgens de cao wegens die beëindiging recht heeft, en de transitievergoeding waarop die werknemer volgens de wettelijke regeling recht zou hebben’. De advocaat-generaal concludeerde in januari 2019 eensluidend.

en verder:

  • Er moet sprake zijn van een individuele gelijkwaardigheid. Gezien het uitzonderingskarakter van deze regeling die de transitievergoeding kan laten vervallen legt het Hof ’s – Hertogenbosch in een latere uitspraak van 17 oktober 2019 de stelplicht (en bewijslast) dat het in casu om een gelijkwaardige voorziening gaat bij de werkgever (ECLI:NL:GHSHE:2019:3822);
  • Bij de beoordeling van de ‘gelijkwaardigheid’ van een cao-voorziening kan als factor (niet als voorwaarde) het bereiken van de doelstellingen van de transitievergoeding meewegen. De doelstellingen zijn het bevorderen van-werk-naar-werk én een ontslagcompensatie bieden; en
  • Tevens is niet vereist ‘dat de in de cao opgenomen voorziening is gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid’. De advocaat-generaal dacht hier eerder anders over.

Het wordt steeds duidelijker.