Menu

Pensioenregeling inhoudelijk

Pensioenregeling inhoudelijk is het vierde deel van een serie van negen artikelen die samen een kennisbank vormen.

Als de werkgever en werknemers zich niet verplicht hoeven aan te sluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds kan de werkgever kiezen:

  • geen pensioenregeling aan te bieden maar een hoger loon zodat de werknemers zelf een voorziening kunnen treffen buiten de 2e pijler; of
  • een pensioenregeling aan te bieden. In de praktijk varieert het aanbod in kwaliteit en prijs.

Dit artikel gaat over de inhoud van de pensioenregeling en hoe de verschillende soorten zich tot elkaar verhouden. Omdat dit artikel een grote diversiteit kent zijn een aantal onderwerpen voorzien van een snellink. Als volgt:

Pensioensoorten

Er zijn vele pensioensoorten die uitkeren bij ouderdom (ouderdomspensioen), overlijden deelnemer (nabestaandenpensioen), arbeidsongeschiktheid en aanverwante arbeidsvoorwaarden die niet onder de bescherming van de Pensioenwet vallen maar er wel aan gerelateerd zijn zoals het voorwaardelijk pensioen, ANW-hiaat verzekering en de WIA-hiaat verzekering. Ze passeren allemaal in dit artikel de revue.

Ouderdomspensioen

Het ouderdomspensioen vult de AOW-uitkering aan en kent verschillende verschijningsvormen. De Pensioenwet noemt deze vormen de pensioenkarakters. Er bestaan drie pensioenkarakters:

  1. uitkeringsovereenkomst (een middelloon- of eindloonregeling). Dit pensioen wordt ook vaak een Defined Benefit-regeling (DB) genoemd;
  2. kapitaalovereenkomst; of
  3. premieovereenkomst. Ook bekend als een beschikbare premieregeling of een Defined Contribution-regeling (DC).

De naam verklapt de belofte. Ze beloven een uitkering, kapitaal of premie-inleg. Al deze pensioenkarakters zijn in alle vormen, maten en combinaties verkrijgbaar. De uitkomst, het pensioen, kan gelijk zijn. Het is maar wat werkgever en werknemer met elkaar overeenkomen. Welk budget is er voor de arbeidsvoorwaarde pensioen beschikbaar? De werkgever heeft deze vrijheid alleen als hij niet onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds valt en er bij cao geen minimale verplichtingen zijn overeengekomen.

Uitkeringsovereenkomst

Een uitkeringsovereenkomst belooft een uitkering. Een middelloonregeling is een uitkeringsovereenkomst waarbij de werknemer over het gemiddelde salaris tijdens de loopbaan een gegarandeerd pensioen opbouwt. Een voorbeeld is te vinden in deel 2 van deze serie. Een andere vorm is de eindloonregeling, waarbij de berekening niet wordt gebaseerd op het gemiddelde salaris maar op het eindloon. Eindloonregelingen zijn zeldzaam geworden, omdat ze (te) duur zijn.

Kapitaalovereenkomst

Een kapitaalovereenkomst belooft een kapitaal. Tot pensioendatum liggen de risico’s bij de verzekeraar en/of werkgever, vanaf pensioendatum heeft een werknemer dezelfde keuzes en risico’s als een deelnemer van een premieovereenkomst. Hij kan rondshoppen met het kapitaal, kiezen voor een variabel pensioen of niet enz. Zie daarvoor deel 9. De hoogte van het pensioen is afhankelijk van de rentestand en de tarieven van de aanbieders.

Kapitaalovereenkomsten kwamen vroeger veel tot stand. Op dit moment wordt er veel gediscussieerd over wat er in het verleden is afgesproken. De pensioentoezegging en de onderbrenging (pensioenpolis) zijn vaak niet duidelijk en/of sluiten niet op elkaar aan.

Is er een toch vastgesteld pensioen toegezegd of slechts een ‘beoogd’ pensioen?

En hoe was de communicatie hierover vanuit de werkgever? Vragen waarover een rechter zich regelmatig moet buigen.

Premieovereenkomst, in het nieuwe pensioenstelsel de enige keuze

Een alternatief voor een middelloonregeling is de premieovereenkomst; een voor een latere uitkering gereserveerd vermogen. De premie-inleg, kosten en beleggingsresultaten bepalen de hoogte van het pensioenkapitaal. Op pensioendatum moet er met het kapitaal een pensioen worden gekocht. De hoogte van het pensioen is afhankelijk van de rente op pensioendatum, hoogte pensioenkapitaal, kosten en de overlevingskansen.

Schematisch kan de opbouw van het pensioenkapitaal als volgt worden weergegeven:

Opbouw pensioenkapitaal

De premie mag gedurende de opbouwperiode tot de vernieuwing van het pensioenstelsel in leeftijd oplopen. Deze leeftijdsafhankelijke premie is gebruikelijk omdat jongeren, doordat het geld nog jaren kan renderen, een minder hoge inleg nodig hebben om hetzelfde pensioenresultaat te behalen. Met ingang van 2027 (Pensioenakkoord) is er alleen nog een premieovereenkomst met een vaste leeftijdsonafhankelijk premie toegestaan waardoor jonge werknemers vaak met een hogere premie-inleg beginnen en daardoor meer pensioen overhouden.

Premieovereenkomst gelijkwaardig aan een middelloonregeling

Een premieovereenkomst kan gelijkwaardig zijn aan een middelloonregeling als:

  • er met een realistische rekenrente op pensioendatum wordt gerekend. Als we uitgaan van 4% in plaats van rekening te houden met de huidige marktrente van 0% of minder (2021) rekenen we onszelf te rijk;  
  • een passende premie-inleg en voldoende rendement; en
  • eventueel verbeterde overlevingskansen worden met een positief rendement op de beleggingen verrekend. 

Met nadruk op ‘kan’. Een lager of hoger rendement, een andere rekenrente, overlevingskansen, de uitkomsten van al deze variabelen zijn van invloed en de risico’s komen bij een premieovereenkomst bij de deelnemer te liggen. Een hoge premie-inleg kan de gevolgen van de risico’s verkleinen. Als het uiteindelijk meevalt qua beleggingsrendementen en/of rente op pensioendatum krijgen werknemers een hoger pensioen en/of kunnen ze eerder met pensioen gaan.

Lifecycle-belegging

Deze beleggingsstrategie houdt rekening met de levenscyclus van de deelnemers. Naarmate een deelnemer dichter bij zijn pensioenleeftijd komt wordt er gekozen voor beleggingen die minder risicovol zijn. Om zo het opgebouwde pensioenkapitaal beter te beschermen tegen grote koersdalingen. Op jonge leeftijd wordt er meer risico genomen wat de kans op hogere rendementen verhoogd. Gezien de langere beleggingshorizon sluit deze strategie aan bij de levensfase van de jongere deelnemer. Er zijn pensioenregelingen die het mogelijk maken van deze standaard (default) af te wijken. Als een deelnemer door middel van een vragenlijst aantoont dat hij de risico’s begrijpt en aanvaardt kan hij van de ‘default’ afwijken.

Er kan ook vanaf pensioenleeftijd worden doorbelegd. Daar kan de deelnemer vóóraf op anticiperen door niet veiliger volgens de lifcycle te gaan beleggen maar af te wijken omdat hij voor een langere beleggingshorizon kiest. Met het doorbeleggen stijgen de rendementskansen en risico’s. Zodra de pensioenuitkering ingaat kan hij alsnog voor een vastgestelde uitkering of een combinatie tussen vast en variabel kiezen.

Het gaat om de premie-inleg

De onderstaande grafiek laat de premielasten van een middelloonregeling en twee premieovereenkomsten zien.

De grijze lijn laat een realistische premie zien op basis van de huidige lage rentestand. De premie stijgt omdat de investering van een oudere werknemer minder lang kan renderen. De blauwe lijn zou voldoende kunnen zijn als de rentestand op pensioendatum ooit weer 4% is. Vanaf 2008 lag de rente onder de 4%. De rode lijn is de huidige premie van veel pensioenfondsen. Ongeveer 25% in het voorbeeld. Ter vergelijk: de totale premie van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn bedraagt 25,8%, het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) gaat naar verwachting naar 27,4% (2022). Beide inclusief de premie voor het partnerpensioen. De premie van pensioenfondsen komt op een andere manier tot stand dan bij verzekerde middelloonregelingen. Bij verzekerde middelloonregelingen ligt de rode lijn veel hoger. Zij garanderen immers en alles heeft zijn prijs.   

Afschaffing doorsneesystematiek

Pensioenfondsen mogen tot de pensioentransitie gebruikmaken van de zogenoemde doorsneesystematiek; een gemiddelde premie die leeftijdsonafhankelijk is net zoals het opbouwpercentage voor alle deelnemers gelijk is. Bij een doorsneepremie betalen jongeren gedurende de eerste jaren te veel en ouderen te weinig. Deze systematiek werkte goed als een werknemer zijn hele leven in dezelfde bedrijfstak bleef werken of in ieder geval deelnemer in dezelfde pensioenregeling bleef. Tegenwoordig is dat eerder een uitzondering dan de standaard mede waardoor de doorsneesystematiek in het nieuwe pensioenstelsel niet meer in de huidige vorm is toegestaan.

De jongeren subsidiëren de oudere collega’s in het nieuwe pensioenstelsel niet meer. De premie-inleg komt voortaan meer ten goede aan het individu. Daardoor kunnen jongeren bij dezelfde premie meer pensioen opbouwen omdat de inleg langer kan renderen. Keerzijde is dat een hele generatie nadeel van de aanstaande pensioentransitie ondervindt. Zij waren ooit jonger en betaalden solidair voor de anderen mee. Zij moeten niet tussen wal en schip geraken en worden gecompenseerd. Dat is de uitdaging waar de pensioensector de komende jaren voor staat: hoe de overgang van pensioensysteem en eventuele compensatie te organiseren en te communiceren aan de deelnemers. 

Veel variabelen, weinig garanties

Eigenlijk hebben de werkgever en werknemers alleen invloed op de premie inleg. Factoren waar zij geen invloed op hebben maar die wel de hoogte van het pensioen beïnvloeden zijn: een lager of hoger rendement, een andere marktrente en toename van de overlevingskansen. Deze risico’s liggen bij een premieovereenkomst bij de deelnemer. De gevolgen van de risico’s zijn op te vangen door een hogere premie-inleg. Een premie-inleg vaak door beide partijen te betalen, de werkgever en de werknemer. Of de werkgever legt alleen zelf in en de werknemer krijgt een vrije keuze om wel of niet bij te sparen. Ook hierin zijn weer vele variaties mogelijk. Belangrijk om het bijsparen niet te vrijblijvend aan te bieden:

Een heldere terugkerende communicatie moet de deelnemer bewust maken dat bijsparen geen luxe maar noodzaak is.

Als alles meezit?

Maar wat gebeurt er als alles meezit en de beleggingsresultaten, de marktrente en de overlevingskansen een beter resultaat opleveren dan verwacht? Dan krijgen werknemers meer pensioen of kunnen zij eerder met pensioen gaan.

Combinaties van regelingen

Combinaties zijn mogelijk. Door regelingen los van elkaar te combineren of binnen 1 regeling combinaties te maken. Voorbeelden van combinaties:

Meerdere regelingen los van elkaar combineren

Stel, tot een pensioengevend loon van € 60.000 geldt er een middelloonregeling (1). Voor het extra loon tot het maximaal pensioengevend loon een premieovereenkomst (2) en daarboven de mogelijkheid van een nettopensioen (3). Het nettopensioen is ook een premieovereenkomst.

  1. Basisregeling: € 60.000 – € 15.000 (franchise) = € 45.000. Over de pensioengrondslag wordt er jaarlijks een pensioen opgebouwd. 
  2. Excedent-regeling: Over het verschil tussen het maximaal pensioengevend loon van € 112.189 (2021) en € 60.000 = € 52.189 zal een premie worden berekend ter opbouw van een pensioenkapitaal om vervolgens in de toekomst een pensioen mee aan te kopen.
  3. Nettopensioen: Voor het salaris boven het maximaal pensioengevend loon kan er nog steeds pensioen worden opgebouwd. In de vorm van een extra ouderdomspensioen en partnerpensioen. De omkeerregel geldt niet voor een nettopensioen maar de werknemer is wel vrijgesteld van vermogensbelasting.

Combinaties binnen één pensioenregeling, bijvoorbeeld een CDC-regeling.

Een andere regeling die in de praktijk voorkomt is de Collectieve Defined Contribution (CDC)-regeling. Deze regeling bestaat uit een combinatie van meerdere pensioenkarakters (een premie- en een uitkeringsovereenkomst). Elk jaar wordt er op basis van een maximaal beschikbaar budget (premieplafond), de rentestand, de sterftetarieven en beleggingen een vastgestelde pensioenuitkering ingekocht. Het risico ligt tot het inkoopmoment volledig bij de werknemer. Als de tarieven ongunstig zijn en de premies zitten al tot aan het plafond wordt er een lagere pensioenopbouw voor dat jaar ingekocht. Bijvoorbeeld 1,5% van de pensioengrondslag in plaats van 1,875%. Als de maximale premielast ongewijzigd blijft kan de jaarlijkse pensioenopbouw verschillen bij wisselende rentestanden en andere fluctuaties.

Nabestaandenpensioen

Met een nabestaandenpensioen wordt een partnerpensioen of wezenpensioen bedoeld. Het partnerpensioen voorziet de achterblijvende partner van een inkomen na het overlijden van de werknemer en vult de minimale Algemene Nabestaandenwet-uitkering aan (ANW). De wezen ontvangen een wezenpensioen. Of het partnerpensioen voldoende is hangt sterk af van de financiële situatie van de achterblijver. Het is verstandig om ook met de gevolgen van een onverhoopt overlijden vooraf rekening te houden bij het opstellen van een financieel plan.

Er zijn pensioenuitvoerders die achteraf nagaan of er een partner was. Als dat zo was, betalen zij uit. Maar pas op: er zijn ook pensioenuitvoerders waar een aanmelding vooraf verplicht is. Wat is overigens een partner? Om deze discussie te voorkomen komt er een uniform partnerbegrip op advies van de Stichting van de Arbeid. Meer daarover is te lezen in het artikel ‘Partnerpensioen blijf alert’.

Arbeidsongeschiktheidspensioen

Een arbeidsongeschiktheidspensioen vult de WIA-uitkering aan die een werknemer krijgt als hij na twee ziektejaren voor minimaal 35% arbeidsongeschikt is. De aanvulling is vaak tot maximaal 70% van het verzekerd inkomen.

Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid

Naast het arbeidsongeschiktheidspensioen kan de pensioenopbouw (gerelateerd aan het arbeidsongeschiktheidspercentage) worden voortgezet. Vaak op basis van het laatst verzekerde inkomen. Is dat voldoende, het laatst verzekerde inkomen? Alles wordt toch duurder? Hoe waardevast is een pensioen eigenlijk?

Waardevast

Als de koopkracht behouden blijft betekent dat het netto – inkomen in dezelfde mate stijgt of daalt aan de inflatie. Om het pensioen waardevast te houden is er meer premie benodigd. De premie is afhankelijk van hetgeen de werkgever toezegt: een voorwaardelijk of onvoorwaardelijke toeslag, onder welke voorwaarden, ook voor inactieve deelnemers koopkrachtbehoud enz.    

Overige arbeidsvoorwaarden gerelateerd aan pensioen

Voorwaardelijk pensioen (VPL)

Een voorwaardelijk pensioen is een extra pensioen ter compensatie van het afschaffen van de VUT- en prepensioenregeling. Hoewel pensioen? Het is pas een onvoorwaardelijk pensioen zodra de VPL-aanspraken zijn gefinancierd. De meeste pensioenfondsen hebben dat traject inmiddels afgerond. Anders dan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Bij het ABP is het voorwaardelijk pensioen pas in 2023 gefinancierd. Als een werknemer eerder wordt ontslagen, ontslag neemt of de werkgever brengt de pensioenregeling onder bij een andere pensioenuitvoerder kunnen de voorwaardelijke rechten voor 2023 verloren gaan. Gelukkig zijn er mogelijkheden het voorwaardelijk pensioen te beschermen.

ANW-hiaat

Een ANW-hiaatverzekering vult een eventueel niet volledige wettelijke ANW-uitkering en het partnerpensioen aan.

Wie voert al deze pensioenen en eventueel extra dekkingen uit? Lees daarvoor deel 5 met de titel ‘Pensioenuitvoerders‘.

Vragen? Neem gerust contact op.

Bijgewerkt op 5 november 2021.