Menu

Pensioenfonds informeert zonder rechtsgevolg onjuist

Door Dirk-Jan Plate

Een pensioenfonds mag informeren, niet adviseren. Als het pensioenfonds informeert beoogt het fonds juist dat te doen; te informeren. Het is niet de bedoeling een rechtsgevolg tot stand te brengen. Zo ook in dit arrest: Hof Den Haag 29 januari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:76.

De werknemer wordt op eigen verzoek door het pensioenfonds geïnformeerd over de hoogte van zijn vroegpensioen. In een brief en bijhorend aanvraagformulier. Het fonds voegt duidelijk aan de informatie toe dat de deelnemer alleen maar rechten aan het pensioenreglement kan ontlenen (disclaimer). Binnen een jaar deelt het pensioenfonds aan de inmiddels pensioengerechtigde mede dat de eerdere brief incorrecte bedragen bevatte maar dat de gedane (te hoge) uitkeringen niet worden teruggevorderd. De pensioengerechtigde accepteert geen correctie voor de toekomst.

Een aantal citaten uit het arrest:

(…) ‘Ter zake van de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat aan [geïntimeerde] een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen toekomt op basis van de door PMT in het aanvraagformulier verstrekte informatie. PMT heeft in haar hoedanigheid van pensioenuitvoerder informatie verstrekt op basis waarvan [geïntimeerde] de onherroepelijke keuze heeft gemaakt om met vervroegd pensioen te gaan, aldus de kantonrechter.

Nadat de kantonrechter beide partijen in de gelegenheid had gesteld zich nader uit te laten over de subsidiaire vordering, heeft hij in het eindvonnis geoordeeld dat PMT gehouden is aan [geïntimeerde] de bedragen uit te keren die in de brief van 21 april 2010 en het bijbehorende aanvraagformulier zijn vermeld.

(…) In de kern komen de grieven erop neer dat PMT van mening is dat deze brief en het bijbehorende aanvraagformulier geen rechtshandeling in de zin van art. 3:32 BW inhield en dat [geïntimeerde] geen beroep op gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in art. 3:35 BW toekomt. PMT heeft aan [geïntimeerde] geen toezegging gedaan en bij de in het aanvraagformulier genoemde pensioenbedragen is het voorbehoud gemaakt dat deze bedragen in overeenstemming zijn met het pensioenreglement, aldus PMT.

(…) Uit de brief van 21 april 2010 blijkt niet van een door PMT verrichte rechtshandeling die is gericht op een van het reglement afwijkend rechtsgevolg. Ook blijkt daaruit niet dat PMT een “aanbod” wilde doen voor een pensioen ter hoogte van de in het aanvraagformulier genoemde bedragen, dat wil zeggen dat zij een van het reglement afwijkende overeenkomst wilde aangaan. PMT spreekt in de brief weliswaar een aantal keren van een “voorstel”, maar zij doelt daarbij (zoals blijkt uit de tekst van de brief) niet op een voorstel met betrekking tot de hoogte van de genoemde pensioenbedragen maar op een voorstel over de wijze waarop [geïntimeerde] zijn opgebouwde rechten kan gebruiken voor zijn pensioen. [geïntimeerde] kan ervoor kiezen om met vroegpensioen te gaan overeenkomstig het “voorstel” op het aanvraagformulier, maar hij kan ook beslissen het opgebouwde pensioen op andere wijze te verdelen (herschikken) of op een ander tijdstip met (vervroegd) pensioen te gaan.

(…) Dat PMT de bedoeling heeft gehad om [geïntimeerde] meer of andere rechten toe te kennen dan [geïntimeerde] op grond van het pensioenreglement al had, kan hij redelijkerwijs niet uit de brief hebben afgeleid. [geïntimeerde] heeft in ieder geval niet onderbouwd waarom hij de brief wél zo heeft opgevat en heeft mogen opvatten’.

Het hof vernietigt het eerdere vonnis, geheel in lijn met eerdere arresten.