Menu

Pensioenvoorziening gelijkwaardig (A-G)?

Kan een pensioenvoorziening gelijkwaardig zijn aan een transitievergoeding waardoor de werkgever gevrijwaard blijft van betaling van een transitievergoeding? De CAO-partijen hebben de pensioenvoorziening als gelijkwaardig aangemerkt maar of dat voldoende is? Ik schreef eerder een nieuwsbericht over dit onderwerp. Tevens zijn de onderstaande alinea’s opgenomen in het boek ‘Pensioenoplossingen bij ontslag, gevolgen en mogelijkheden uitgebreid behandeld’. 

De kantonrechter

Zo was er een geschil tussen een ex-werkneemster en ex-werkgever. Aanleiding was de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid die de transitievergoeding verving. In de cao was bepaald dat het dienstverband eindigde zodra de werkneemster volledig en duurzaam, op grond van de inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA), arbeidsongeschikt geraakte. Volgens het pensioenreglement kwam de inmiddels gewezen werkneemster vanaf dat moment in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidspensioen en werd de pensioenopbouw premievrij voortgezet. De werkneemster meent toch ook recht te hebben op een transitievergoeding. De cao-voorziening zou volgens de werkneemster niet een gelijkwaardige voorziening zijn.

De kantonrechter oordeelt dat de voorziening in de cao (waarvan de pensioenovereenkomst deel uitmaakt), wel kwalificeert als gelijkwaardige voorziening. Om tot een gelijkwaardige voorziening te komen is het daadwerkelijk tot uitkering komen van het arbeidsongeschiktheidspensioen kennelijk (volgens de cao) niet benodigd. Daarnaast geniet de werkneemster al een direct financieel voordeel, een maandelijkse besparing door premievrijstelling van de voortgezette pensioenopbouw.

Individueel gelijkwaardig

Tevens stelt de kantonrechter (ECLI:NL:RBNNE:2017:884): ‘De wet dwingt er niet toe dat wordt bekeken hoe een dergelijke voorziening achteraf individueel uitwerkt. De wet kent geen aanknopingspunten om individueel te becijferen of er sprake is van een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening.’

Het hof

Het hof (ECLI:NL:GHARL:2017:11133) oordeelt dat met de in de cao opgenomen voorziening vóór 1 juli 2015 niet kan ‘zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen, aangezien de transitievergoeding toen nog niet bestond. Daarmee kan deze voorziening na 1 juli 2015 niet het equivalent vormen van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding en kan deze voorziening niet als gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding worden aangemerkt’.

De advocaat-generaal

De advocaat – generaal concludeerde op 11 januari 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:128) over de (bovenstaande) oordelen van de kantonrechter en het hof onder andere (onderstrepingen zijn van mijn hand):

  • Het is aan de rechter om te beslissen of een cao-voorziening gelijkwaardig is. Dat CAO-partijen de voorziening als gelijkwaardig zien doet er niet toe op het moment dat de werkgever en werknemer het oneens zijn;
  • De voorziening is gelijkwaardig aan de transitievergoeding als de voorziening de periode van werkloosheid voorkomt of beperkt. ‘Aangezien daarmee niet is voldaan aan een essentiële doelstelling van de transitievergoeding (de doelstelling van de transitievergoeding is immers tweeledig: het bevorderen van-werk-naar-werk én ter compensatie voor ontslag, DJP), brengt dit mee dat de voorziening niet gelijkwaardig is aan de transitievergoeding’; en
  • ‘Hoe dan ook zie ik onder het huidige wettelijke systeem geen aanknopingspunten om ontslagen werknemers hun aanspraak op de wettelijke transitievergoeding te ontzeggen op grond van CAO-afspraken die een voorziening bieden die op individueel niveau niet daadwerkelijk, dus concreet, gelijkwaardig is aan de transitievergoeding waarop de werknemer aanspraak heeft’.

Gezien de ontwikkelingen mag de alternatieve vergoeding in de toekomst wel lager zijn.

De Hoge Raad oordeelt: