Menu

Gelijkwaardig?

Door Dirk-Jan Plate

In het boek ‘Pensioenoplossingen bij ontslag, gevolgen en mogelijkheden uitgebreid behandeld’ staat de volgende tekst:

‘Zo was er een geschil tussen een ex-werkneemster en ex-werkgever. Aanleiding was de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid die de transitievergoeding verving. In de cao was bepaald dat het dienstverband zou worden beëindigd zodra de werkneemster volledig en duurzaam, op grond van de inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA), arbeidsongeschikt geraakte. Volgens het pensioenreglement kwam de inmiddels gewezen werkneemster vanaf dat moment in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidspensioen en zou de pensioenopbouw premievrij worden voortgezet. De werkneemster meent toch ook recht te hebben op een transitievergoeding. De cao-voorziening zou volgens de werkneemster niet een gelijkwaardige voorziening zijn. De kantonrechter oordeelt dat de voorziening in de cao (waarvan de pensioenovereenkomst deel uitmaakt), wel kwalificeert als gelijkwaardige voorziening. Om tot een gelijkwaardige voorziening te komen is het daadwerkelijk tot uitkering komen van het arbeidsongeschiktheidspensioen kennelijk (volgens de cao) niet benodigd. Het moment van tot uitkering komen van de vergoeding is niet relevant, omdat de werkneemster direct financieel voordeel geniet (een maandelijkse besparing door premievrijstelling). Tevens stelt de kantonrechter: ‘De wet dwingt er niet toe dat wordt bekeken hoe een dergelijke voorziening achteraf individueel uitwerkt. De wet kent geen aanknopingspunten om individueel te becijferen of er sprake is van een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening.’ Later krijgt de werkneemster in hoger beroep toch de transitievergoeding toegewezen. Het hof oordeelt dat met de in de cao opgenomen voorziening vóór 1 juli 2015 niet kan ‘zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen, aangezien de transitievergoeding toen nog niet bestond. Daarmee kan deze voorziening na 1 juli 2015 niet het equivalent vormen van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding en kan deze voorziening niet als gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding worden aangemerkt’.

De Procureur – Generaal bij de Hoge Raad concludeerde op 11 januari 2019 over deze (bovenstaande) oordelen van de kantonrechter en het hof onder andere als volgt  (onderstrepingen zijn van mijn hand):

  • ‘Uit deze passage blijkt dat het aan de rechter is om te beslissen of sprake is van een gelijkwaardige voorziening in een CAO, als werkgever en werknemer het daarover niet eens zijn. Daarmee ligt het naar mijn mening in de rede dat de kwalificatie van de CAO-partijen van een bepaalde voorziening als ‘gelijkwaardige voorziening’ niet doorslaggevend is; het gaat erom of de voorziening naar het oordeel van het rechter gelijkwaardig is. Als dat anders zou zijn, zou de rechter immers niet de mogelijkheid hebben om te beoordelen of sprake is van een gelijkwaardige voorziening. Dan had volstaan kunnen worden met de constatering dat de CAO-partijen de betreffende voorziening al dan niet als gelijkwaardige voorziening hebben aangemerkt c.q. dat de rechter zich daarop dient te richten’;
  • ‘De voorziening kan ‘niet worden aangewend om werkloosheid te voorkomen dan wel de periode van werkloosheid te verkorten. Aangezien daarmee niet is voldaan aan een essentiële doelstelling van de transitievergoeding (de doelstelling van de transitievergoeding is immers tweeledig: het bevorderen van-werk-naar-werk én ter compensatie voor ontslag, DJP), brengt dit mee dat de voorziening niet gelijkwaardig is aan de transitievergoeding’; en
  • ‘Hoe dan ook zie ik onder het huidige wettelijke systeem geen aanknopingspunten om ontslagen werknemers hun aanspraak op de wettelijke transitievergoeding te ontzeggen op grond van CAO-afspraken die een voorziening bieden die op individueel niveau niet daadwerkelijk, dus concreet, gelijkwaardig is aan de transitievergoeding waarop de werknemer aanspraak heeft’.

Gezien de ontwikkelingen mag de alternatieve vergoeding in de toekomst wel lager zijn.

Wordt vervolgd.