Menu

Aanvullende vergoeding bovenop transitievergoeding kost werkgever incl. pensioenschade € 628.000.

Door Dirk-Jan Plate 

Een transitievergoeding is bedoeld om de overgang naar een andere baan te vergemakkelijken en ter compensatie voor ontslag. Een billijke vergoeding die aanvullend bovenop de transitievergoeding wordt uitgekeerd is echt uitzonderlijk. De memorie van toelichting heeft het over ‘laakbaar gedrag’ van de werkgever waarvoor een rechter eventueel een extra vergoeding aan de werknemer kan toekennen. Laakbaar gedrag heeft een verstorend effect op de arbeidsrelatie. Discriminatie, het maken van ongewenste avances, re-integratieverplichtingen grovelijk schenden of een werknemer die door onvoldoende zorg aan de kant van de werkgever arbeidsongeschikt raakt, zijn ‘gedragingen’ die de werkgever aangerekend kunnen worden en waar additionele financiële consequenties uit kunnen volgen. Maar ook een verstoorde arbeidsverhouding die enkel aan de werkgever te wijten is.

De rechtbank Noord-Holland deed uitspraak. De volgende passages zijn van belang:

5.12.

‘De in het voorgaande besproken gedragingen dan wel handelwijzen van ATP Services getuigen naar het oordeel van de kantonrechter van ernstig verwijtbaar handelen. Het had naar het oordeel van de kantonrechter, zeker gelet op het bijna vierendertigjarige dienstverband van [werknemer] bij ATP Services en het feit dat [werknemer] altijd goed heeft gefunctioneerd (hetgeen door ATP Services niet is weersproken), op de weg van ATP Services gelegen om [werknemer] omtrent de (beoogde) reorganisatie beter te informeren, hoor- en wederhoor te laten plaatsvinden en er zorg voor te dragen dat hij (de bedongen of passende) werkzaamheden kon blijven verrichten. In plaats daarvan heeft [werknemer] geen werk meer gekregen, is hij ‘aan zijn lot overgelaten’ en is na het genomen besluit eind maart 2017 enkel nog aangestuurd op het beëindigen van zijn dienstverband. Niet gebleken is dat ATP Services enige concrete inspanningen heeft verricht om [werknemer] voor haar organisatie te behouden. De kantonrechter begrijpt dan ook dat [werknemer] deze periode fysiek en emotioneel als zwaar belastend heeft ervaren, zoals hij beschrijft in zijn brief van 21 november 2017 aan [hoofd HR]. ATP Services heeft er naar het oordeel van de kantonrechter niets aan gedaan om deze periode voor [werknemer] minder belastend te maken, laat staan dat zij (de volgens ATP Services ontstane) verstoorde arbeidsverhouding heeft geprobeerd te herstellen, terwijl dit wel van haar – als werkgeefster – wel verwacht mocht worden. Zij heeft zich slechts verschuild achter de beslissingen van de board in de UK. Dat sprake is van een zodanige boosheid bij [werknemer] dat terugkeren binnen de organisatie, zonder dat dit binnen afzienbare tijd in ziekte dan wel ruzie zou escaleren, niet mogelijk was en dat sprake was van een gepasseerd station ten aanzien van mediation, zoals door ATP Services gesteld, is niet onderbouwd en tevens niet gebleken’.

5.18.

‘Gelet op het voorgaande is de kantonrechter er bij de berekening van de inkomens- en pensioenschade vanuit gegaan dat [werknemer] gedurende 29 maanden, te weten gedurende de periode waarin hij maximaal recht zal hebben een WW-uitkering, inkomensschade zal lijden van ongeveer € 126.000,00 bruto. ([€ 7.168,50 x 29] – de WW-uitkering € 82.180,00 = € 125.706,50).

De kantonrechter heeft de inkomensschade die [werknemer] na deze 29 maanden, tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, zal lijden geschat op een bedrag van € 453.00,00 bruto.

(€ 7.168,50 x 81 maanden [110-29 maanden]) – (het afgeronde minimumloon per maand € 1.578,00 x 81 maanden [110-29 maanden]) = € 452.830,50.

Verder acht de kantonrechter het aannemelijk dat [werknemer] (nagenoeg) verder geen pensioen meer zal opbouwen, zodat hij tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd ruim € 92.000,00 bruto aan pensioenschade zal lijden. Hierbij heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij de door [werknemer] berekende pensioenschade. Hoewel ATP Services ter zitting heeft betwist dat de door [werknemer] berekende pensioenschade juist is, heeft zij dit – op een enkele verwijzing naar een productie die door haar in het geding is gebracht op 26 maart 2018 (een dag voor de zitting) – niet onderbouwd. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van de door [werknemer] in zijn verweerschrift uitvoerig omschreven en onderbouwde berekening ten aanzien van de pensioenschade. De kantonrechter komt op een ander (hoger) bedrag dan [werknemer] omdat [werknemer] in zijn berekening uitgaat van een opzegtermijn van vier maanden en de kantonrechter van een opzegtermijn van twee maanden’.

Rb. Noord-Holland 24 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:3077.